PhD projects and dissertations Textual Culture

Laura Basu | Jesseka Batteau | Paul Bijl | Peter Boot | Claudia Marie Clemente | Clazina Dingemanse | Feike Dietz | Gaston Franssen | Alana Gillespie | Roeland Harms | Kornee van der Haven | Ewoud Kieft | Davy van Oers | Michaël Stoker | Nicoline Timmer | Inge Werner | Dissertations

 

Laura Basu
Trans-mediation: the case of Ned Kelly

Started: 01-09-2006
PhD supervisor: prof. dr. A. Rigney

This PhD project is part of the research programme ‘The dynamics of cultural remembrance: an intermedial perspective’. The project as a whole focuses on cultural memory and on the role played by different media on the evolution and maintenance of ‘memory sites’.

This particular project focuses on the ‘trans-mediation’ of a site of memory – looking at what happens to a memory site as it is repeated in different media over time. It seems that when a story is told and retold using the various media technologies that are available to us, it transforms or morphs over a span of several generations, potentially yielding important insights into the workings of cultural memory in our highly mediatised society.

The case study is that of ‘Ned Kelly’, the Australian outlaw executed in 1880, whose Robin Hood style exploits led to a dramatic showdown with the police, with Kelly dressed in homemade armour. The figure of Ned Kelly has become a memory site in Australian historical culture, its status as such being linked to the enormous amount of media attention it has received over more than 100 years. This body of material provides an opportunity to investigate the re-shapings of a story at different historical moments and in a modern context, and to deepen our understanding of the relationship between cultural memory and media.

 

Jesseka Batteau
Collective memory, literary practice and the religious past 1945-2005: The work and reputation of Dutch authors and the construction of the Christian past in the Netherlands

Started: 01-08-2005
PhD supervisor: prof. dr. A. Rigney, day-to-day supervision: dr. Wilbert Smulders and dr. Frans Ruiter

De scène waarin de hoofdpersoon uit de roman Een vlucht regenwulpen (1978) van Maarten ’t Hart de gereformeerde ouderlingen hardhandig uit het huis van zijn stervende moeder verwijdert, behoort inmiddels, mede dankzij de verfilming van het boek drie jaren later, tot één van de bekendere literaire passages over het Nederlandse religieuze verleden. Op een vergelijkbare manier is het beeld van Gerard Reve te midden van de christelijke iconen tijdens de ludieke avond in de Heilige Hart-kerk (n.a.v. de aan hem toegekende P.C. Hooft-prijs in 1969) deel uit gaan maken van de collectieve herinnering in Nederland.

In dit onderzoeksproject staat de relatie tussen de literaire praktijk en de gedeelde herinnering van het christelijke verleden in Nederland centraal. Het uitgangspunt is daarbij de gedachte dat literaire auteurs en hun werk een specifieke rol kunnen vervullen in het creëren en verspreiden van gedeelde herinneringen in de samenleving. Mijn hypothese is dat een aantal auteurs, hun werk én persoon, iconisch zijn geworden voor een specifieke omgang met, of perspectief op, religie en het gedeelde religieuze verleden. Om die reden verdiep ik mij niet alleen in het literaire werk zelf, maar ook in de receptie van dat werk én reputatie van deze schrijvers bij het Nederlandse publiek. Aan de hand van verschillende soorten bronnen –variërend van recensies, interviews en literaire tentoonstellingen, tot filmadaptaties van romans en radio- en tv-optredens van de auteur – ga ik na op welke manier het werk en de persoon van auteurs als ’t Hart en Reve hebben bijgedragen aan de constructie van een collectief beeld van het christelijke verleden in Nederland.

 
Paul Bijl
Introducing a new medium: the case of photography

Started: 01-09-2006
PhD supervisor: prof. dr. A. Rigney

What role do media techniques play in what is remembered? This question lies at the heart of my project. As a member of the Utrecht Research Group on Cultural Remembrance, I am interested in how media techniques (print, film, HTML) influence the emergence, change and disintegration of memory sites over time. I will look at what happens when a new medium technique enters the media landscape. The case that is chosen is that of early photography (1839-1920), more precisely colonial photography of the former Dutch Indies.

I will investigate three genres of photography: monuments and landscapes (representing the colony’s ancient and natural history), wars and resistances (political history), and portraits (social history). In all three cases the influence of photographic techniques on what is remembered will be compared to the role played by other media techniques. As I am trained in literature the study of photography offers me the possibility to compare a medium that is mostly iconic, indexical and symbolic (photography) to one that is mostly only symbolic (printed text).

The development of the Dutch Indies as a site of remembrance (and forgetting) is dependent on both the cultural artefacts involved (photographs, texts, music, food) and on the social frames in which these artefacts are interpreted. Through focusing on photographic techniques in the construction, reinvention and smothering of cultural remembrances, I want to investigate the possibility of incorporating the results of material analysis (in my project technique, but we can also think of economics, history, biology) into the study of representation. To avoid a relapse into crude materialism, I will keep in touch with non-dogmatic materialisms such as Th.W. Adorno’s. Photographs, as icons, indexes and symbols, hovering somewhere between texts and realities, offer an excellent opportunity to revisit these fundamental questions.

 
Peter Boot
Zingeving in code. Betekenisstructuren in het embleem

Started: 01-03-2003
PhD supervisor: prof. dr. E.M.P. van Gemert, day-to-day supervision: dr. A.J. Gelderblom and dr. F. Wiering

Onderwerp van het onderzoek zijn de processen van betekenisgeving in de 17e-eeuwse West-Europese emblematiek en de mogelijkheden om deze processen weer te geven in digitale vorm. De centrale problemen in dit onderzoek zijn: (1) theorievorming over de rol van woord en beeld en de aard van hun interactie in het produceren van de betekenis van het embleem, en (2) het ontwerp van een methodiek voor digitalisering van betekenisaspecten van emblemata, resulterend in het toegankelijk maken van de resultaten van dit onderzoek vanuit digitale edities.

Om deze vragen te onderzoeken zullen de embleemtheoretische noties in semiotische termen worden gekarakteriseerd. De embleemteksten en -afbeeldingen zullen in deze semiotische termen worden geanalyseerd en met behulp van een te ontwerpen digitaliseringmethodiek zal het resultaat van de analyse elektronisch worden gecodeerd. In de digitale editie zullen deze coderingen zichtbaar worden gemaakt. Daarmee wordt een integratie van theoretisch onderzoek en digitale editiepraktijk bewerkstelligd, die enerzijds zal bijdragen aan de verheldering en toetsbaarheid van de theoretische begrippen, anderzijds nieuwe wegen zal openen voor digitale edities. Bijzondere aandacht zal uitgaan naar de Nederlandse emblematiek, die in het embleemtheoretisch onderzoek nog weinig aandacht heeft gekregen.

Het onderzoek gaat uit van de veronderstelling dat de vertaling van theoretische noties in digitale termen bijdraagt aan de verheldering van de theoretische noties. Met de emblematiek als voorbeeld tracht het deze veronderstelling aannemelijk te maken. Het is de ambitie daarmee ook voor ander onderzoek in de humaniora nieuwe wegen te openen.

Het onderzoek wordt uitgevoerd in een samenwerkingsverband tussen het OGC en het Huygens Instituut – KNAW.

 
Claudia Marie Clemente
Calvino and Cixous: Travelers within and away from Postmodernism

Started: 01-10-2008
PhD supervisor: prof. dr. Harald Hendrix

This project examines the application of postmodernism theories and the construction of gender and identity in the work of Italian author Italo Calvino and the French poststructuralist theorist and creative writer Hélène Cixous. Calvino’s experimental work and Cixous’ 'écriture féminine' produced between 1965 and 1985 offer a platform upon which to examine the interface between feminism and postmodernism theories, as applied in the creative work of contemporary experimental (Parisian and Continental European) literary circles. The project seeks to identify a subject at play in this work that is at once gendered and neutered and that embeds itself as the core of an alternative approach that embraces postmodernism and feminism alike.

 
Feike Dietz
Emblematische dynamiek in de zeventiende eeuw: woord, beeld, religie

Started: 01-07-2007
PhD supervisor: prof. dr. Lia van Gemert; co-supervisor: prof. dr. Marc Van Vaeck; day-to-day supervision: dr. Els Stronks, dr. Arie Gelderblom

Emeritushoogleraar en embleemspecialist Karel Porteman noemde hem al eens ‘het Europese kroonstuk’ van de religieuze liefdesemblematiek en ‘het meest verspreide en nagevolgde specimen uit het genre’: Pia desideria. In 1624 verzorgde de Antwerper Hendrick Aertssens de eerste druk van deze Neolatijnse embleembundel, geschreven door stadsgenoot en jezuïetenpriester Herman Hugo en voorzien van platen van Boëtius a Bolswert. Vele tientallen drukken en bewerkingen in bijna alle Europese volkstalen zouden deze eerste uitgave opvolgen.

Mijn promotieonderzoek staat in het teken van dit intensief verspreide en nagevolgde kroonjuweel. In omringende landen is de wisselwerking tussen Pia desideria en zijn volkstalige omwerkingen in de afgelopen jaren diverse malen op grotere en kleinere schaal onderzocht. Gebrekkig was echter de aandacht voor de doorwerking van Pia desideria in de Nederlanden, die niet alleen zijn geboortegrond vormden, maar waarin de emblematiek bovendien in bijzondere mate bloeide. Een NWO-FWO project onder supervisie van dr. Els Stronks van de Universiteit Utrecht en prof.dr. Marc van Vaeck van de Katholieke Universiteit Leuven brengt in de komende jaren de betekenis van Pia desideria voor de Nederlandse religieuze cultuur in kaart.

Als onderdeel van dit project concentreert mijn studie zich op het Noord-Nederlandse netwerk rondom Pia desideria. Ik richt mij in het bijzonder op de mate waarin en de manier waarop woord- en beeldelementen uit het Neolatijnse boekje terugkeren in vroegmoderne religieuze embleemboeken van Noord-Nederlandse bodem. Met welk doel werden de bestaande elementen opnieuw ingezet? In welke religieuze kringen, in welke regio’s en door welke schrijvers werden fragmenten hergebruikt? Welke wijzigingen ten opzichte van het origineel zijn op te merken en hoe zijn die te verklaren?

Om zicht te krijgen op de reikwijdte van de doorwerking van Pia desideria in de Noordelijke Nederlanden, beperk ik mij niet alleen tot embleemboeken, maar besteed ik ook aandacht aan de rol die Pia desideria’s woord- en beeldelementen speelden in andere vroegmoderne cultuuruitingen, zoals liedboeken en gedichtenbundels. Op zowel ‘het Europese kroonstuk’ als de Noord-Nederlandse religieuze cultuur van de vroegmoderne tijd wil mijn onderzoek op deze wijze nieuw licht werpen.

 
Clazina Dingemanse
Gesprekspamfletten (1600-1750)

Started: 01-03-2001
PhD supervisor: prof. dr. E.M.P. van Gemert, day-to-day supervision: dr. M.E. Meijer Drees

Vanaf het begin van de Opstand tegen Spanje in 1568 verschenen er in de Republiek tal van pamfletten. Daarvoor waren pamfletten wel aanwezig, maar vanaf dit moment nam het medium een grote vlucht. In eerste instantie ter verdediging van de Opstand tegen de Spaanse koning, maar later werden er allerlei actuele zaken in besproken. Voor historici vormen pamfletten een dankbare bron van materiaal. Mijn onderzoek richt zich echter op de literaire aspecten van pamfletten in de periode 1600-1750, meer in het bijzonder die van gesprekspamfletten.

Gesprekspamfletten zijn pamfletten waarin een gesprek tussen twee of meer personen weergegeven wordt. Teksten met tal van benamingen als samenspraken, discoursen, dialogen, praatjes etcetera vormen mijn corpus. Hierbinnen spits ik mij toe op praatjes. Praatjes vormen binnen de gesprekspamfletten een duidelijk te onderscheiden groep door hun benaming en realistische enscenering met herkenbare sprekers en ontmoetingsplaats. Centraal in dit onderzoek staat de vraag naar plaats, vorm en functie van praatjes binnen de (pamflet)literatuur. Accentverschuivingen binnen de te onderzoeken periode (1600-1750) zullen tevens aan bod komen. Uitgangspunt voor het te onderzoeken materiaal is de omvangrijkste Nederlandse pamflettencollectie, aanwezig in de KB te Den Haag en in de UB Utrecht op microfiche. Ook achtergrondliteratuur over de dialoog als literair genre wordt in het onderzoek betrokken.

Het onderzoek naar gesprekspamfletten is een deelonderzoek van het project Literatuur met effect: Nederlandse pamfletten (ca. 1600-1750), waarin literaire componenten van pamfletten centraal staan.

 
Gaston Franssen
Een wereld aan werkelijkheden: autonomie, engagement en referentialiteit in de poëzie en poëtica van Gerrit Kouwenaar

Started: 15-02-2002
PhD supervisor: prof. dr. W.J. van den Akker, day-to-day supervision: dr. B.J. Peperkamp and dr. T.L. Vaessens (UvA)

Het Nederlandse dichterscollectief de ‘Vijftigers’ profileerde zich in de jaren vijftig als een sterk politiek en maatschappelijk geëngageerde beweging. Ook de dichter Gerrit Kouwenaar, Vijftiger van het eerste uur, wilde zich in zijn werk rekenschap geven van de actuele werkelijkheid. Zijn generatie voelde zich daartoe genoodzaakt, zo schreef hij in Vijf 5-tigers (1955), omdat zij opgroeide met “een hete oorlog nog naschroeiend in geheugen en lichaam” en daarna volwassen werd in de “vrieswind” die opstak: de tijd van Korea, Stalinisme, Vietnam en de atoombom. Maar in de jaren zestig lijken Kouwenaars literatuuropvattingen zich te wijzigen. Critici en interpreten signaleren in zijn werk een toenemende concentratie op het dichtproces zelf, ten koste van de eerdere betrokkenheid op de wereld. Volgens de poëtica van de latere Kouwenaar zou het gedicht “autonoom” zijn, een “ding van taal”. Sterker nog, de dichter wordt getypeerd als een ‘killer’, iemand die een stukje wereld wil wegmaken en vervangen in taal.

In mijn onderzoek laat ik zien dat deze traditionele voorstelling van zaken een eenzijdig en vertekend beeld biedt van Kouwenaars poëzie. Door tekstanalyse te combineren met documentair onderzoek naar de historische en maatschappelijke context enerzijds en interpretatie-theoretisch onderzoek naar de verhouding tekst – wereld anderzijds, wordt het mogelijk om uiteen te zetten hoe noties als ‘autonomie’, ‘referentialiteit’ en ‘realiteit’ zich tot elkaar verhouden. Dat leidt tot een thematische (her)lezing van Kouwenaars oeuvre, waarin de verhouding tussen ‘gedicht’ en ‘wereld’ vanuit een nieuw en verhelderend perspectief wordt bezien.

 
Alana Gillespie
The Problem of Thereness: Spectres and Haunting in Irish Modernism and Post-Modernism

Started: 01-02-2007
PhD supervisors: prof. dr. A. Rigney, prof. dr. P. de Medeiros

This interdisciplinary project is a study into the phenomenon of spectres and haunting in the works of Samuel Beckett and Flann O’Brien. It is situated in the fields of cultural memory, hauntology and narratology. The dissertation is an investigation into the function and the use of spectres and haunting in fiction as both an aspect of literary behaviour on the part of the authors and as a literary device. The narrative authority of the spectre, which we can understand to be a visible or audible apparition of spirit which presents itself to fictional characters within a literary work, will be considered in relation to narratology. Episodes of haunting in Beckett and O’Brien will be discussed in relation to the theory of hauntology [Derrida et al.]. The dissertation will engage with cultural memory studies in its discussion of how the use of haunting and spectres in these authors’ work reflects issues in Irish history, nationalism and politics, as well as the socio-cultural discourse of haunting.

 
Roeland Harms
De rol van de ambulante handel in de verspreiding van kranten en pamfletten in Amsterdam, Haarlem en Utrecht versus Londen en Exeter, 1600-1850

Started: 01-03-2006
PhD supervisors: prof. dr. M.R. Prak and prof. dr. E.M.P. van Gemert, day-to-day supervision: dr. J.L. Salman

Op 10 februari 1703 werd in de stad Leiden Karel de Kok gevonnist. De Kok werd verbannen uit Leiden, nadat hij schuldig was bevonden aan twee overtredingen. De eerste aanklacht betrof zijn ‘ongeregelde, losbandige, slechte leven’. Daarnaast werd hij veroordeeld voor het lopen met liedjes door de straten van Leiden.

De Kok ventte illegaal drukwerk en kan daarmee gerekend worden tot één van de vele ambulante handelaren: rondtrekkende handelaren die spullen verkochten als naalden, spelden, garen, lint, rijgveters, kammen, brillen, en niet zelden ook kranten, pamfletten en liedjes. Deze ambulante handelaren – ook wel aangeduid als marskramers of omlopers – hadden een geringe status. Zij vormden een subcultuur die laag op de sociale ladder stond. Werden zij betrapt op het illegaal verkopen van drukwerk, dan werden zij soms uit een stad verbannen, zoals in bovenstaand voorbeeld.

Het slechte imago van de marskramer – meestal gecreëerd door concurrerende boekverkopersgilden – doet af aan de belangrijke plaats die hij in de samenleving innam. Zijn rol bij de verspreiding van kranten en pamfletten lijkt zeer groot te zijn geweest en zelfs te zijn aangewakkerd door diezelfde boekverkopers, die in de marskramer een perfecte tussenhandelaar had om de omzet te vergroten. De snelle verstedelijking in de Republiek aan het begin van de zeventiende eeuw lijkt bovendien een sterke stimulans te hebben gegeven aan deze belangrijke verkooprol. In de geürbaniseerde Republiek kon een hoge omloopsnelheid van kranten en pamfletten ontstaan, waarin de ambulante handel als in geen ander land in Europa goed kon gedijen.

Op basis van vooral indirecte bronnen (onder meer vonnisboeken, belastingkohieren en boedelinventarissen) wordt in dit onderzoek een overzicht gegeven van de aantallen rondtrekkende handelaren in Amsterdam, Utrecht en Haarlem tussen 1600 en 1850. Vervolgens wordt op basis van de soort kranten en pamfletten (zoals vorm, inhoud en prijs) eveneens een oordeel gegeven over de kwalitatieve invloed die de marskramers op het drukwerk hadden. Daarmee wordt in de eerste plaats de vraag beantwoord hoe groot hun invloed was op de hoeveelheid drukwerk die verspreid werd en in de tweede plaats wordt gekeken of zij wellicht ook invloed hadden op wat voor drukwerk er verscheen en hoe dat eruit zag. De kwantitatieve en kwalitatieve gegevens worden afgezet tegen het onderzoek naar de ambulante handel zoals dat eerder gedaan werd in het meer rurale Engeland.

De verwachtingen van het onderzoek zijn tweeledig. Enerzijds is de verwachting dat de beeldvorming van de ambulante handel geen recht doet aan de realiteit: de plaats van de marskramer in de vroegmoderne samenleving was essentieel voor een grote en snelle verspreiding van drukwerk en voor het creëren van een grote afzetmarkt. De tweede verwachting heeft betrekking op de unieke rol die de ambulante handel in de Republiek had. Door de snelle verstedelijking aan het begin van de zeventiende eeuw lijkt de marskramer in het communicatieproces binnen de Republiek een belangrijker plaats in te nemen dan in het meer rurale Engeland.

 
Kornee van der Haven
Invloed van stedelijke instituties op het theaterrepertoire in Amsterdam en Hamburg tussen 1680 en 1750

Started: 01-02-2003
PhD supervisor: prof. dr. J.J. Kloek, day-to-day supervision: dr. R.A. Rasch and dr. J. von der Thüsen

In de late zeventiende en de vroege achttiende eeuw hadden stedelijke instituties nog een aanzienlijke invloed op de cultuuroverdracht in decentraal bestuurde gebieden als de Republiek of het Duitse Rijk. Pas in de late achttiende eeuw zou gepoogd worden stedelijke literaire instituties om te vormen tot nationale instituties, zoals bij de vorming van een "Nationaltheater" in Hamburg in 1767. Voor die tijd maakten de Amsterdamse Schouwburg en de Hamburgse Opera nog deel uit van een stedelijke literaire infrastructuur met een duidelijke stedelijke identiteit en uitstraling.

Een analyse van de wijze waarop niet-literaire stedelijke instituties poogden het repertoire van de Amsterdamse Schouwburg en de Hambursge Opera te beinvloeden moet in dit onderzoek aangeven hoe beide instituties waren ingebed in een als 'stedelijk' aan te merken culturele infrastructuur. Beide insituties werden in hun beleid beinvloed door vertegenwoordigers uit de kerk, de politiek en de commercie. Daarbij speelden specifiek stedelijke belangen een grote rol. Alhoewel Amsterdam en Hamburg in de periode 1680-1750 veel overeenkomsten hadden, juist ook op deze drie gebieden, kenden beide steden toch een heel eigen en specifieke situatie, waarin 'theater' als commercieel, religieus en politiek instrument op totaal verschillende manieren werd toegepast.

Deze stedelijke benaderingswijze maakt het mogelijk repertoirevorming op het gebeid van toneel interlokaal te bestuderen, zonder daarbij uit te gaan van nationaal begrensde politieke en culturele eenheden als "Duitsland" en "Nederland". In dit onderzoek zal gepoogd worden los van dergelijke nationale constructies de ontwikkeling van het theater in Hamburg en Amsterdam tussen 1680 en 1750 te bestuderen en te vergelijken.

 
Ewoud Kieft
Avant-garde bekeerlingen. Religie, kunst en politiek rond de Eerste Wereldoorlog in Frankrijk, België en Nederland

Started: 01-11-2005
PhD supervisor: prof.dr. G. Buelens, co-supervisors: dr. M. de Keizer and dr.W. Smulders

Een internationaal vergelijkend onderzoek naar de eruptie van bekeringen tot het katholicisme onder kunstenaars en intellectuelen in de periode rond de Eerste Wereldoorlog. Een geselecteerd aantal bekeerlingen uit de avant-gardekringen in Brussel, Parijs en in Nederland wordt onderzocht op de dubbelrollen die zij speelden als mediator tussen subculturen (katholieke en niet-confessionele) en tussen nationale culturen. Bijzondere aandacht gaat uit naar verbanden met de Eerste Wereldoorlog: het met de ‘Counter-Enlightenment’ samenhangende verlangen naar oorlog, en de enorme culturele impact die de oorlog vanaf 1914 in Europa had, ook in Nederland.

Aan de hand van de these dat politiek, religie en avant-gardistische cultuur in deze periode nauwelijks van elkaar te onderscheiden categorieën waren, zullen verschillende cases van ‘avant-garde bekeerlingen’ gebruikt worden om de complexe wisselwerking tussen deze categorieën te laten zien. Deze benadering doet recht aan de verschillende varianten van combinaties tussen politiek, religie en moderne cultuur die in deze periode ontstonden, waarvan fascisme slechts één voorbeeld is. Daarnaast biedt zij mogelijkheden tot internationale vergelijking. Bij dit alles komt de vraag centraal te staan hoe de Eerste Wereldoorlog invloed uitoefende op dit complex aan factoren. Door de levensloop van verschillende avant-garde bekeerlingen te volgen, overeenkomsten en verschillen daarvan, wordt duidelijk hoe dit complex aan factoren in de praktijk kon uitwerken, en hoe de balans tussen politiek, religie en esthetica kon verschillen. Zo sloeg die in Frankrijk bij bijvoorbeeld Léon Bloy, Charles Péguy, Ernest Psichari en Henri Massis door naar een militante symbiose van religie en nationalisme. Dit werd een veel breder voorkomend verschijnsel door de katalyserende invloed van de Eerste Wereldoorlog. Zo vond het tijdens en na de oorlog ook zijn weerslag, op weer heel uiteenlopende manieren, bij aanvankelijk gematigder bekeerlingen als Jacques Maritain, Jean Cocteau, Henri Ghéon, Jacques Rivière en Max Jacob. In het geval van België is een dergelijke vermenging van politisering en religiositeit bij avant-gardisten als Paul van Ostaijen, Wies Moens en Karel van de Woestijne merkbaar. Voor Nederlandse avant-garde bekeerlingen als Jan Toorop, Erich Wichman, Hendrik Marsman, Otto van Rees en Pieter van der Meer de Walcheren geldt dat er vergelijkbare ontwikkelingen te herkennen zijn: dit kan erop duiden dat de ‘culturele wortels’, waar Frans fascisme en Vlaams activisme deels mee te verklaren zijn, ook in Nederland aanwezig waren. Het wijst in ieder geval ook op de bepalende invloed die de Eerste Wereldoorlog had op de uiteindelijke institutionalisering van die culturele wortels.

De rode draad in mijn proefschrift vormt de persoon van Pieter van der Meer de Walcheren. Door zijn contacten in verschillende netwerken van avant-garde bekeerlingen in Frankrijk, België en Nederland biedt zijn levensloop de mogelijkheid deze verschillende kringen op een toegankelijke manier te beschrijven.

 
Davy van Oers
De Venetiaanse «romaneske» autobiografie tussen realiteit en fictie: een «misogyne» enscenering van de vrouw in Memorie inutili (1797) van Carlo Gozzi

Started: 01-03-2004
PhD supervisor: prof. dr. H.A. Hendrix, day-to-day supervision: dr. M.G. Pensa

Binnen het hedendaagse literatuuronderzoek omtrent het genre van de autobiografie, blijft de vraag naar het verband tussen historische realia en fictie centraal staan. Het onderzoek wil dit probleem belichten vanuit een bloeiperiode van de Italiaanse autobiografie, nl. de Venetiaanse «romaneske» autobiografie (eind 18e eeuw-begin 19e eeuw). Synergismen tussen roman en autobiografie maken de vraag naar authenticiteit in de autobiografieën van Carlo Gozzi, Carlo Goldoni, Giacomo Casanova en Lorenzo Da Ponte vaak des te problematischer. Rekening houdend met een mogelijk osmotisch proces tussen verschillende literaire genres, zal binnen de autobiografie van Carlo Gozzi de relatie tussen feit en fictie bestudeerd worden a.d.h.v. de analyse van een zowel romanesk als autobiografisch centrale topic: de enscenering van de vrouw. Gozzi’s (overwegend) misogyne beeldvorming van de vrouw – atypisch voor de laatachttiende-eeuwse tijdsgeest – zou kunnen toelaten Memorie inutili (1797) te herpositioneren binnen de Venetiaanse «romaneske» autobiografie. Een speciale aandacht gaat hierbij uit naar de analyse van Gozzi’s ironische stijl. Bovendien zal worden nagegaan in welke mate het clichébeeld van Gozzi als misogyn al dan niet een literaire fictie is.

 
Michaël Stoker
Challenging Modernism: Fernando Pessoa and the Book of Disquietude

Started: 01-03-2004
PhD supervisor: prof. dr. P. de Medeiros

Het oeuvre van Fernando Pessoa is vooral bekend vanwege het excessieve gebruik van gefingeerde schrijversnamen; door Pessoa geen pseudoniemen maar “heteroniemen” genoemd en uitgerust met een eigen biografie en literaire stijl. Als belangrijkste heteroniemen kunnen worden onderscheiden de natuurdichter Alberto Caeiro, de futurist Álvaro de Campos, de classicist Ricardo Reis en de prozaschrijver Bernardo Soares. Deze laatste is de gefingeerde auteur van het Boek der Rusteloosheid, waaraan geestelijk vader Pessoa van 1913 (het jaar van zijn eerste publicatie) tot 1935 (het jaar van zijn dood) heeft gewerkt. De teksten van Pessoa/Soares bleven onvoltooid en ongeordend achter in een kist waarin nog duizenden (aanzetten tot) gedichten, essays en verhalen lagen verborgen. Pas in 1982 kwam er een editie van het Boek der Rusteloosheid op de markt, waarna het boek vrijwel direct werd herkend als een meesterwerk; “One of the defining texts of the modern world” (Guardian), “An unique masterpiece, because there is nothing quite like it in western literature” (Independent), “Extraordinary…a hounting mosaic of dreams, autobiographical vignettes, shards of literary theory” (George Steiner in Observer). Een omvangrijke wetenschappelijke studie waarin de uiteenlopende inhoudelijke en vormelijke aspecten met elkaar in verband worden gebracht en wordt gedemonstreerd waaruit het moderne of modernistische karakter van dit boek bestaat, is echter tot op heden niet voorhanden.

De voornaamste doelstelling van dit onderzoek is de filologische karakteristieken, de culturele context en de theoretische en filosofische implicaties van het werk in kaart te brengen. De centrale vraag daarbij: is het BdR een exponent van het Europese literaire Modernisme of prevaleert een benadering vanuit het literaire Postmodernisme?

 
Nicoline Timmer
For Real: The Post-Postmodern Syndrome in American Literature at the Turn of the Millennium

Started: 01-01-2004
PhD supervisors: prof. dr. J.W. Bertens and prof. dr. A. Rigney

My working hypothesis is that a new ‘post-postmodern’ sensibility is emerging in the arts and culture today. The goal of my research project is to demonstrate that postmodernism is ‘worn out’ and in the process of being reworked and recoded. I will begin with analyzing in which ways writers experiment with new narrative strategies to deal with the ‘crisis of meaning’ in postmodern discourse, more specific a crisis of ‘what it means to be human’ (Ihab Hassan). The focus thereby will be on projections of the human figure (or human figurations) - contrasted with the postmodern ‘decentered subject’ - in the following corpus of contemporary novels: Infinite Jest (1996) by David Foster Wallace, A Heartbreaking Work of Staggering Genius (2000) by Dave Eggers, House of Leaves (2000) written by Mark Danielewski, Rick Moody’s The Black Veil (2002) and Everything is Illuminated (2002) by Jonathan Safran Foer. After close reading the selected novels I want to broaden the perspective and intend to write a genealogy of what I have preliminary labeled ‘post-postmodernism’, to place this literary transformation in a socio-cultural perspective, and describe the ethical as well as the aesthetic dimensions of post-postmodernism.

 
Inge Werner
The Transformation of a Genre. Lasca’s Burlesque Style within the Academic World of Sixteenth-Century Florence

Started: 01-01-2001
PhD supervisors: prof. dr. H.A. Hendrix, prof. dr. H. Th. van Veen (RUG)

Werner investigates the position of Antonfrancesco Grazzini, detto il Lasca, in the Florentine academy at different stages of his career as a poet, novelliere and playwright. The instability of Lasca's position is affected by the enmities and friendships in his academic relationships, several of which hitherto remain underexposed. The project aims to add to our knowledge of Lasca's contacts and their meaning in the academic environment. The second aim of this research will be to explore the functioning of Lasca's writings, especially nello stile burlesco, based on the hypothesis that he applied the burlesque style as a medium to create a distinct profile for himself: both as a man of letters in the margins of the academy, and, later in his career, as a conformist participant. Accordingly, Lasca's burlesque poetry - for example the comic-heroic epic La Guerra de' Mostri (1548) and various correspondence-poems he wrote to his colleagues - will be pivotal to this project, but contemporary academic sources will be used as well.

Lasca's burlesque poetry will be approached in an interdisciplinary manner, firstly as a source for historical evidence of his social circumstances, and secondly from a literary point of view to explore its function and development as a satirical genre.

 
Dissertations
Bloemsaat-Voerknecht, L.M., Thomas Bernard und die Musik. Themenkomplex mit drei Fallstudien und einem musikthematischen Register.
PhD supervisor: prof. dr. A.B.M. Naaijkens.
PhD degree: 01-09-2004.

Bloois, J.G.C. de, L’économie générale: Georges Bataille dans la pensée de Jaques Derrida.
Started: 01-01-1998
PhD supervisors: prof. dr. M.B. van Buuren and prof. Jean Luc Nancy, prof. dr. J.W. Bertens.
PhD degree: 17-06-2003.

Franssen, G.E.H.I., Gerrit Kouwenaar en de politiek van het lezen.
PhD supervisors: prof. dr. W.J. van den Akker (UU) and prof. dr. Th.L. Vaessens (UvA).
PhD degree: 15 -02-2008.

Hakemulder, F., The Moral Laboratory. Literature and ethical awareness.
Started: 01-09-1993
PhD supervisors: prof. dr. D.W. Fokkema and prof. dr. J.J.M.J.W. van Peer.
PhD degree: 23-10-1998.

Hoogsteder-Kattenburg Schuler, N., Franz Kafka: Mimeses und Gewalt. 24 Erzählungen im Lichte von René Girards Theorie.
PhD supervisor: prof. dr. M.B. van Buuren.
PhD degree: 06-02-2003

Jansen, M.M., Il dibattito sul postmoderno in Italia; in bilico tra dialettica e ambiguità.
Started: 03-01-1994
PhD supervisors: prof. dr. C.M.M. van der Voort and prof. dr. D.W. Fokkema.
PhD degree: 11-06-1999.

Koffeman-Bijman, M.N., Entre Classicisme et Modernité: La Nouvelle Revue Française dans le champ littéraire de la Belle Epoque.
Started: 01-09-1997
PhD supervisor: prof. dr. W.J. van den Akker, co-supervisor: dr. S.A. Levie.
PhD degree: 05-11-2003.

Krijanskaia, D., The directing system of Alexander Tairow.
PhD International, started: 01-04-2000
PhD supervisor: prof. dr. H. Schoenmakers.
PhD degree: 10-09-2002.

Matthijsen, J.W., The breach and the Observance. Theatre retranslation as a strategy of artistic defferentiation, with special reference tot retranslations of Shakespeare's Hamlet (1777-2001).
PhD supervisors: prof. dr. A.B.M. Naaijkens and prof. dr. P.J. de Voogd
PhD degree: 01-06-2007.

Moerbeek, J.L.M., Canons in context. Canonvorming in het literatuuronderwijs Nederlands in Nederland en Vlaanderen.
Started: 01-09-1991
PhD supervisor: prof. dr. D.W. Fokkema and prof. dr. W.J. van den Akker.
PhD degree: 23-04-1998.

Mourits, G.P.M., Zestig. Nederlandse poëzie in de jaren zestig.
Started: 01-02-1996
PhD supervisors: prof. dr. W.J. van den Akker and prof. dr. J.W. Bertens.
PhD degree: 07-12-2001. 

Peperkamp, B.J., Over de dichtkunst; een lezing met demonstraties: interpretatieve en literair-historische beschouwingen over een programmatisch gedicht van Leo Vroman.
Started: 01-02-1988
PhD supervisor: prof. dr. W.J. van den Akker.
PhD degree: 19-05-1995.

Prandoni, J.M., Een mozaïek van stemmen. Verbeeldend lezen in Vondels Gysbreght van Aemstel.
PhD supervisor: prof. dr. E.M.P. van Gemert.
PhD degree: 30-11-2007.

Ram, T.H., Magnitude in Marginality: Edward Cave and the Gentleman’s Magazine, 1713-1754.
Started: 10-01-1994
PhD supervisor: prof. dr. P.J. de Voogd.
PhD degree: 19-05-1999.

Sanders, M.P.J., Het spiegelend venster. Literatuuropvattingen in het katholieke literaire veld in de periode 1870-1940.
Started: 01-09-1997
PhD supervisor: prof. dr. W.J. van den Akker, co-supervisor: dr. W.H.M. Smulders.
PhD degree: 18-01-2002.

Steenbergh, K., Wild justice: The Dynamics of Gender and Revenge in Early Modern English Drama.
PhD supervisors: prof. dr. E.M.P. van Gemert, prof. dr. P.J. de Voogd and dr. A.J. Hoenselaars.
PhD degree: 22-06-2007.

Timmer, N.N.A., Do you feel it too? The post-modern syndrome in American fiction at the turn of the Millenium.
PhD supervisor: prof. dr. J.W. Bertens.
PhD degree: 05-09-2008.

Vaessens, T.L., Nijhoff, Van Ostaijen en de mentaliteit van het modernisme.
Started: 09-01-1994
PhD supervisor: prof. dr. W.J. van den Akker.
PhD degree: 17-12-1998.

Veen, W.V. van der, Van Gogh, homme de lettres. Litterature dans la correspondance de Vincent van Gogh.
PhD supervisors: prof. dr. M.B. van Buuren and prof. dr. P.A. Hecht.
PhD degree: 18-01-2007.

Veld, S.I., Tot lof van vrouwen? Retorica, sekse en macht in paradoxale vrouwenloven in de Nederlandse letterkunde (1578-1662).
PhD supervisor: prof. dr. M.A. Schenkeveld-van der Dussen.
PhD degree: 10-05-2005.

Vrieler, J., Het poëtisch accent: drie literaire genres in zeventiende-eeuwse Nederlandse pamfletten.
Started: 01-01-2001
PhD supervisors: prof. dr. E.M.P. van Gemert, dr. M.E. Meijer Drees.
PhD degree: 12-01-2007.

Wertheim, D.J., Cherishing a Heretic. The Jews of Weimar Germany and their Celebration of Spinoza.
Started: 01-01-2000
PhD supervisor: prof. dr. I. de Haan.
PhD degree: 30-11-2005.

Wildschut, E.M.M., Bewegen en bewogen: Theoretisch en empirisch onderzoek naar de beleving van dansvoorstellingen bij kinderen.
Started: 16-03-1996
PhD supervisors: prof. dr. H. Schoenmakers and prof. dr. E. Tan, co-supervisors: dr. E. Konijn and dr. M.J. Kattenbelt.
PhD degree: 16-05-2003.

Wilholt, N.M., ‘Voor alles artieste’. A.A.M. Stols als uitgever, typograaf en cultureel bemiddelaar in de periode 1922-1942.
Started: 01-09-1993
PhD supervisor: prof. dr. W.J. van den Akker, co-supervisor: prof. dr. S.A. Levie.
PhD degree: 29-04-1999.

Woerkum, C.C.M. van, La brassage des choses. Melange de genres dans le labyrinthe du monde de Marguerite Yourcenar.
PhD supervisor: prof. dr. M.B. van Buuren.
PhD degree: 12-02-2007.
 


> home OGC