De
orgelmakers Bätz-Witte te Utrecht hebben hun bedrijf uitgeoefend tussen 1739 en
1902. In 1733 kwam de uit Frankenroda (Thüringen, Duitsland) afkomstige Johann
Heinrich Hartmann Bätz (1709-1770) naar Nederland om te gaan werken bij de
orgelbouwer Christiaan Muller, onder wiens leiding hij meewerkte aan de bouw van
het orgel in de Grote of Sint Bavokerk te Haarlem. Johann Heinrich Hartmann Bätz
vestigde zich als zelfstandig orgelbouwer in Utrecht in 1739. Vijf leden van de
familie Bätz, verdeeld over drie generaties, leidden het in Utrecht gevestigde
bedrijf tot 1849; daarna werd het overgenomen door de meesterknecht Christiaan
Gottlieb Friedrich Witte (Rothenburg bij Hannover 1802 – Utrecht 1873), die in
1839 met een vrouwelijke telg uit het geslacht Bätz getrouwd was. Zijn zoon
Johan Frederik (1840-1902) zette het bedrijf nog voort tot aan zijn dood.
Getuigschrift van bekwaamheid van J.H.H. Bätz (1733)
De
firma Bätz-Witte bouwde ca. 60 orgels,
voornamelijk in West-, Midden- en Noord-Nederland, maar ook te Batavia en
Paramaribo In hun oeuvre is sprake van hoge ambachtelijke en artistieke
kwaliteit, maar meer dan bij de orgelbouwers Smits is er sprake van
weerspiegeling van de eigentijdse smaak. Het klankkarakter van de Bätz-Witte-instrumenten
wordt in hoge mate bepaald door de hun primair toegedachte taak: de begeleiding
van de Protestantse gemeentezang. Een gedeelte van het bedrijfsarchief is
bewaard gebleven in het Utrechts Orgelarchief.
Het archief bevat veel tekeningen van orgels. In de eerste plaats frontontwerpen, maar ook constructietekeningen van front en kas en van het binnenwerk van diverse instrumenten. Deze laatste tekeningen zijn zeer gedetailleerd en in kleur uitgevoerd, waarbij de kleuren een duidelijk constructieve functie vervullen. Ook enkele fronttekeningen zijn in kleur uitgevoerd; de kleuren hebben hier geen constructieve betekenis – onder andere marmeren is toegepast.
Naast tekeningen zijn in het archief bijna 50 bestekken van orgels aanwezig en technische berekeningen van ruim 20 instrumenten.
Het overige materiaal is doorgaans van meer algemene aard, zoals de Werklijst en het Getuigschrift van J.H.H. Bätz, de vergunning tot het voeren van het Koninklijk Wapen uit 1851 en diverse stukken over mensurering. Bij deze restgroep bevinden zich ook contracten, feestredes, brieven en berichten uit tijdschriften en kranten, vaak in de vorm van knipsels. Tenslotte zijn er nog een groot aantal platen van bouwkundige aard, die handelen over de verschillende bouwordes, kappen en trappen. Een 48-tal gestandaardiseerde frontontwerpen sluit de collectie af.
Voormalig
Bätz-orgel Remonstrantse Kerk Utrecht, thans RK Franciscus Xaveriuskerk te
Amersfoort (1819)(l)
Fronttekening Hervormde Kerk Den
Haag (1881)(m)
Gedeelte uit contract met de Hervormde Kerk te Beneden-Hardinxveld (1875)(r)
|
|